Schulers Books Online

books - games - software - wallpaper - everything

Bride.Ru

Books Menu

Home
Author Catalog
Title Catalog
Sectioned Catalog

 

- Fulco de Minstreel - 10/34 -


De dapp're bruidegom is daar En zoekt in 't duister naar den dader. Thans vreest de roover voor den dood En zucht om redding uit den nood.

De blijdschap op haar lief gelaat Werpt Bertha zich in 's Ridders armen. De roover neemt zijn kans te baat; Hij wacht van Gijsbrecht geen erbarmen. Hij sluipt in haast door 't klein vertrek En redt zich over 't lage hek.

Maar zie, de dienaar, die hier wacht Om trouw de paarden te bewaken, Verheft zijn zwaard met alle kracht En treft, dat kap en schedel kraken. "Hier hebt Ge, roover, loon naar werk: Een onuitwischbaar KaÔnsmerk!"

Intusschen dreef de bui voorbij En kon de Jonkvrouw huiswaarts keeren. Verheugd ging 't bruidspaar zij aan zij. Wie zou nu dapp're Bertha deren? De dienaar meesmuilt in zijn baard: "Die zwaardslag was een goudstuk waard!"

Fulco zweeg. Daverende toejuichingen waren zijn deel. Doch Fulco lachte thans niet. Met den vinger naar Peer wijzende, die doodsbleek in den versten hoek eene schuilplaats zocht, riep hij:

"En wilt ge weten, wie de schurk is, die dat feit durfde ondernemen? Daar staat hij! 't Is Peer, de eigene van den Heer van Vianen. Laat hij het ontkennen, als hij durft!"

Doch Peer durfde niet. Aan al zijne leden bevend viel hij op de knieŽn en smeekte om erbarming.

Daaraan dacht evenwel niemand. Van alle kanten drong men op hem aan.

"Naar de burchtzaal met den schurk! Naar de burchtzaal!" klonk het. "Hij moet nog heden zijn vonnis hebben! Voort met den roover!"

Men sleurde hem naar de deur, doch juist op dat oogenblik werd die met kracht opengeworpen en verscheen de Heer van Vianen aan den ingang.

"Peer," riep hij met ruwe stem, "de paarden! We gaan naar huis!"

"Hier is Peer! Hier is de aanrander!" klonk het verwarde geroep van de dienaren.

"Genade, genade!" kreunde Peer in doodsangst.

"Wie waagt het mijn dienaar overlast aan te doen?" schreeuwde Vianen woedend. "Laat los, hondsvotten, of ...."

Daar kwamen ook de andere edelen, waaronder Heer Gijsbrecht, het vertrek binnen. Vreezende, dat Vianen in zijne blinde woede misschien een ongeluk zou begaan, en niet wetende, wat er aan de hand was, riepen zij:

"Laat dien man los! Zijn Heer wil vertrekken!"

"Maar hij is de roover, die...!"

"Laat den man los!" gebood Gijsbrecht krachtig. "Wie of wat hij ook zij, laat hem los!"

Aan dat bevel werd voldaan, zij het dan ook schoorvoetend.

Vianen trad naar buiten, en Peer, die zich te Heukelom in het geheel niet meer op zijn gemak gevoelde, volgde hem met zeldzamen spoed. Nog nooit had hij zijn Heer zoo vlug bediend als nu. In minder dan geen tijd zaten beiden te paard en reden de slotbrug over.

De ridders keerden naar de burchtzaal terug en vergaten spoedig het gebeurde.

Maar Heer Gijsbrecht van IJselstein had een vijand gekregen, die niet licht te achten was.

HOOFDSTUK 4

De wraak van Vianen

Veertien dagen later vinden we Heer Gijsbrecht in de groote zaal van het slot te IJselstein, gedost in zijn schoonste gewaad, bezig zijne bevelen te geven aan zijne dienaren. Hij drukt hun de stipste gehoorzaamheid jegens zijne gemalin op het hart, belooft hun eene buitengewone belooning, wanneer zij gedurende zijne afwezigheid getrouw hun plicht doen, maar dreigt met dubbele straf hen, die zich aan plichtsverzuim mochten schuldig maken.

Daarna neemt hij met vriendelijkheid van allen afscheid, en blijft alleen over met zijn schildknaap, Jonker Jan van Asperen. Hij legt zijne hand in de zijne, en zegt:

"En aan U, mijn trouwe knaap, draag ik de zorg op, niet alleen voor mijn kasteel en voor mijne overige bezittingen, maar ook voor het dierbaarste, dat ik bezit" voor mijne lieve gemalin. We beleven vreemde tijden, Jonker, en niemand weet tegenwoordig, of de dag van morgen vrede of oorlog zal brengen. Daarom heb ik, voor ik van hier ga, zooals ge weet, het kasteel in staat van tegenweer gebracht, opdat, als onverhoopt soms een vijand mocht komen opdagen, hij het niet onverdedigd vinde. Beloof me, dat ge haar zult steunen in het bestuur, en zoo noodig, haar zult verdedigen en beschermen in den nood!"

"Ik zweer het, edele Heer!" antwoordde Jonker Jan ernstig en vastberaden. "Zoolang mijn arm een zwaard kan voeren, zal haar geen leed genaken."

"Ik wist, dat ge dit zeggen zoudt, en had geen ander antwoord verwacht. Heb dank voor die woorden. Doch daar hoor ik haar aankomen. Laat ons nu eene wijle alleen."

De jonker vertrok en Bertha kwam binnen. Ook zij was gekleed om uit te gaan; zij wilde haar echtgenoot een eindweegs vergezellen. Zij zag bleek en hoewel hare gestalte als altoos fier was, scheen het toch, alsof er thans een angstige trek op haar gelaat lag. Gijsbrecht ging haar tegemoet en sloeg haar zijn arm om den hals.

"Alles is gereed, Bertha," zeide hij. "We kunnen dadelijk vertrekken. Maar, liefste, wat ziet ge bleek en wat is dat-- tranen in de oogen? Kom, kom, wat is dat voor malligheid? Nu had ik toch gedacht, dat je moediger waart."

"Och, Gijsbrecht," zuchtte Bertha, "wees niet boos op me; ik weet wel, dat het kinderachtig van me is, maar heusch, ik voel me zoo beangst. 't Is me, alsof er een groot ongeluk zal gebeuren.., alsof ik... u nooit terug zal zien."

Bij die woorden barstte zij in tranen uit.

"Maar hoe komt ge toch op die gedachte, mijn Bertha? Gisteren nog kende je geen vrees en was je even moedig als altoos."

"O, ja, dat was gisteren, Gijsbrecht, maar nu ...."

"En waarom ben je dan nu wel bevreesd?"

"Omdat ik .... O, Gijsbrecht, 't was zoo akelig, o, ga toch niet naar het hof te Veere .... Omdat ik zoo'n vreeselijk naren droom gehad heb."

"Ik moet gaan, Bertha. De Bisschop heeft het mij opgedragen, ik moet, --maar kom, kom, je weet toch wel, dat droomen bedrog zijn."

"Deze niet, neen Gijsbrecht, deze niet. Och, ik smeek u, blijf toch hier! Die droom vervolgt mij reeds den geheelen morgen."

"En hoe was die droom dan wel?"

"O, zoo naar, Gijsbrecht. Ik zag u geboeid in een vreeselijken kerker, bleek en vermagerd, en je riept voortdurend, terwijl de ketens, waarmede je aan den muur geklonken waart, rammelden: 'Bertha, Bertha, waarom verlos je me niet? Zie je dan niet, dat ik hier anders sterven moet?'"

En opnieuw begon de jonge edelvrouw te schreien. Ook Gijsbrecht was een weinig bleeker geworden, doch spoedig herkreeg hij zijne opgeruimdheid weder en zeide:

"Gekheid, Bertha. Droomen zijn nog nooit anders dan bedrog geweest, lk geloof er niet aan. Je hebt zeker onrustig geslapen en toen gedroomd, zooals dat iedereen wel eens overkomt. Een flinke rit in de frissche morgenlucht zal die nare gedachten wel uit je hoofdje doen verdwijnen en je weer vroolijk maken. Kom, laten we te paard stijgen."

"Dus je blijft bij uw plan, en gaat naar Veere?"

"Ik moet, Bertha. Dat kan nu eenmaal niet anders, doch--wees niet bezorgd. Over veertien dagen ben ik immers weer hier?"

Bertha richtte het hoofd op en veegde de tranen weg, die haar in de oogen stonden. 't Scheen, of zij al haar moed en geestkracht terugkreeg, nu zij wist, dat er niets aan het besluit te veranderen viel.

"Laat dan komen, wat er komen moet. Dat God u bescherme!"

En haar echtgenoot een kus gevende, liet zij er op volgen:

"We zullen er het beste maar van hopen, niet waar? Laten we gaan."

Op de binnenplaats stonden vier paarden gereed, die door Jonker Jan en Fulco bij de teugels gehouden werden. Fulco zou zijn Heer op de reis vergezellen, en hij vond dat verre van onaangenaam. Hij hield wel van zoo'n tochtje en 't was bij hem gewoonlijk: hoe verder, hoe liever. Gijsbrecht hielp Bertha in den zadel, en weldra reden zij de slotbrug over, door de bedienden van het kasteel met een hartelijk: "Goede reis, God behoede u!" begroet.

Bertha schikte zich blijkbaar in het onvermijdelijke, want zij sprak over allerlei zaken, behalve over haar droom. En toen zij een uur later een teeder afscheid van Gijsbrecht nam, hield zij zich zoo flink, dat het scheen, of zij er zelfs niet meer aan dacht.

Langzaam reed de Edelman, door Fulco gevolgd, verder. Telkens keek hij achterom en wuifde zijne vrouw en den Jonker een vaarwel toe,


Fulco de Minstreel - 10/34

Previous Page     Next Page

  1    5    6    7    8    9   10   11   12   13   14   15   20   30   34 

Schulers Books Home



 Games Menu

Home
Balls
Battleship
Buzzy
Dice Poker
Memory
Mine
Peg
Poker
Tetris
Tic Tac Toe

Google
 
Web schulers.com
 

Schulers Books Online

books - games - software - wallpaper - everything