Schulers Books Online

books - games - software - wallpaper - everything

Bride.Ru

Books Menu

Home
Author Catalog
Title Catalog
Sectioned Catalog

 

- Fulco de Minstreel - 2/34 -


het gerinkel daarvan zijn zwarten hengst de ooren deed spitsen.

"Goed gesproken, hoewel de straf wel wat zwaar zou zijn voor eene zoo kleine misdaad," hernam de edelman glimlachend. "Ik wist ook wel, dat een Jonker van Asperen geen lafaard kon zijn. Maar waarom wil-je dan zoo graag vr middernacht op den burcht zijn?"

De Jonker zweeg. Hij schaamde zich de oorzaak van zijne vrees te noemen. Maar Fulco, die maar al te gaarne toegaf aan zijne zucht tot spotten, antwoordde in zijne plaats:

"Wel, Edele Heer, dat is licht te bevroeden. U weet het toch even goed als wij:

Van elf tot n Zijn de spoken op de been.

De Jonker is niet bang voor schepsels van vleesch en bloed, maar voor zulke wezens, die men met zijn zwaard wel driemaal doormidden kan hakken en dan toch niet gewond zijn. Brrr, 't is om te rillen!"

"Dwaasheid!" mompelde Heer Gijsbrecht. "Wees toch niet zoo kinderachtig, Jonker. Zulke wezens bestaan immers niet?"

"Ze bestaan wel, Heer," zeide de Jonker beslist, "en ik beken, dat ik hen liever niet ontmoet. Ik ben er bang van."

"Ik ook!" spotte Fulco.

"Spot er maar niet mede," vermaande de Jonker ernstig. "Ik verzeker u, dat ze bestaan. Jonker Herman van 's Heerenberg heeft me onlangs er wel zooveel van verteld, dat ik volstrekt geen lust heb, persoonlijk met hen kennis te maken. En hij zegt, dat het vooral de spotters zijn, op wie de Witte Wijven het gemunt hebben."

"O wee, dan zal ik er van lusten, als ze me zien!" lachte Fulco. "En noemde hij ze Witte Wijven? Wat vertelde hij er zoo al van?"

"Dat zeg ik aan geen sporters," mompelde de Jonker verstoord. "Maar zie eens, Heer, wat daar eene donkere lucht komt opzetten! Ik denk, dat we eene donderbui zullen krijgen."

"Dat schijnt wel zoo; we hebben gelukkig het bosch bereikt. Daar zullen we niet zoo spoedig last hebben van den regen. Ziedaar de beek, waarvan ik sprak. Laten we hier een oogenblik afstijgen en wat uitrusten."

De ruiters stegen af, en nu eerst kon men goed zien, hoe warm de paarden het hadden gehad. Het zweet bedekte bijna hun geheele lichaam en het schuim stond hun op den bek. Fulco nam ze bij den teugel en leidde hen naar de beek, waar zij dadelijk hun dorst gingen lesschen. Daarna bond hij ze aan lage boomtakken vast, zoodat zij zich aan het welige gras te goed konden doen, en nam toen plaats bij de edellieden. Die waren al ijverig bezig, zich aan den meegenomen mondvoorraad te vergasten. De vermoeiende rit had hun honger bezorgd. Fulco vond het niet meer dan een staaltje van zijn plicht, het voorbeeld van zijn Heer naar zijn beste vermogen te volgen.

Intusschen werd het zeer duister, hoewel de maan scheen. De lucht werd bedekt met donkere wolken, die een grilligen vorm hadden en er dreigend uitzagen. Weldra begon nu en dan een enkele droppel te vallen. De edelman stond op.

"Laten wij te paard stijgen," zeide hij. "Wat wordt het verbazend donker. Als we den weg door het woud maar kunnen vinden. Ik zou niet gaarne op den laten avond nog verdwalen."

Fulco maakte de paarden los en een oogenblik later reden zij in galop verder. 't Was aan de beesten te merken, dat de korte rust hun goed gedaan had.

Doch al spoedig dwong de duisternis den ruiters, den gang der dieren wat te matigen, en toen zij dieper in het woud kwamen, werd het zelfs zoo donker, dat zij niet dan stapvoets voort konden gaan. Zij konden bijna geen hand voor oogen meer zien. De regen nam in hevigheid toe, en nu en dan werd het bosch verlicht door den blauwen gloed van een bliksemstraal. Van den regen hadden zij eerst niet veel last, daar het bladerdak boven hun hoofd hen beschermde. Doch weldra begon dat te veranderen. Het werd zwaar weer. Al vlugger en vlugger volgden de bliksemstralen elkander op en de regen viel bij stroomen. De bladeren kon al dat water niet dragen en begonnen den verzamelden voorraad op de ruiters uit te storten.

"Konden we hier ergens maar eene schuilplaats vinden," zeide Heer Gijsbrecht.

"Dicht hier in de nabijheid moet eene verlaten hut staan, Heer," antwoordde Fulco.

"Ja, dat weet ik," hernam de Ridder. "Maar 't is zoo donker ...."

Plotseling flikkerde een felle bliksemstraal door de lucht, die het bosch als in een laaien gloed zette. Een knetterend geluid en een zware slag volgden er onmiddellijk op. De vurige schimmel schrikte er van en begon zoo woest te steigeren, dat de ridder hem slechts met moeite bedwingen kon.

"Daar staat de hut!" riep Fulco. "Ik zag haar bij het licht van den bliksem. Hier, linksaf!"

Terzelfder tijd trof een noodkreet hunne ooren.

"Ik hoor roepen!" riep Jonker Jan.

"Ik ook!" schreeuwde Fulco. "Spoedig hierheen! Volgt mij maar. Hoort! Hoort! Daar pleegt men eene misdaad!"

"Vooruit, Fulco! Vooruit!"

"Hier is de hut! Stijgt maar af!"

"Help! Help!" klonk het.

In een oogwenk waren de ruiters van hun paard gegleden en de hut binnengeijld.

Fulco alleen bleef buiten, waar hij de schuwe paarden bij den teugd hield.

Weer doorkliefde een bliksemstraal de lucht en gaf Fulco de gelegenheid te zien, hoe eene in elkander gedoken gedaante ongemerkt door de deur naar buiten wilde sluipen.

"Terug, schurk!" bulderde hij hem toe, terwijl hij met zijne vrije hand snel het zwaard trok en het dreigend ophief. "Terug, als je leven je lief is!"

Zoodra de vreemde bemerkte, dat hij gezien was, richtte hij zich op en zette het op een loopen. Fulco trachtte hem tegen te houden, doch dat gelukte niet, daar hij de paarden niet durfde loslaten. De schurk rukte zich los en vloog heen, doch niet, dan nadat Fulco's zwaard met kracht op zijn achterhoofd was nedergedaald. Een rauwe kreet was het antwoord op die tuchtiging. Een oogenblik later hoorde Fulco de hoefslagen van een paard, dat zich verwijderde.

"Waar is de schurk?" klonk nu de stem van Jonker Jan, die zich naar buiten spoedde.

"U komt een oogenblik te laat, Jonker. Hij is er vandoor."

"Dat is jammer! Ik had niet gemerkt, dat hij de deur uitgeslopen was, en zocht hem nog in de hut."

"Hij heeft het ook lang niet dom overlegd. 't Is bepaald een slimme kwant, Jonker. Wat heeft hij uitgevoerd?"

"Kom binnen, dan zul-je het hooren. Bind de paarden maar hier of daar vast. In dit weer gaan we toch niet verder."

Zien we intusschen, wat er in de hut gebeurd was. Zoodra Heer Gijsbrecht van zijn paard gesprongen en, door den jonker gevolgd, naar binnen was gesneld, riep hij:

"Hier is hulp! Wie waagt het, een ander overlast aan te doen?"

"Help, Heer!" klonk eene vrouwenstem. Doch zoodra had de ridder den klank dier stem niet vernomen, of hij riep uit:

"Wat hoor ik? Die stem? Bertha, ben jij het?"

"Gode zij dank! O, Gijsbrecht, wat komt je te juister tijd!"

"Maar spreek, Bertha," zeide Gijsbrecht, haar bij de hand vattende, "wat is er, wat overkomt u?"

"Hij is al gevlucht, de onverlaat. Zoodra hij u hoorde binnenkomen, liet hij me los en sloop heen!"

"Dan kan hij nog niet ver af zijn!" riep Jonker Jan, zich naar buiten spoedende, doch--zooals de lezer weet, ook daar was de roover hem te vlug geweest.

Gijsbrecht trok Bertha naar zich toe en sloeg haar zijn arm om den hals.

"Maar mijne Bertha, mijne lieve bruid, hoe komt het toch, dat ik u in dit noodweer hier aantref? En wat gebeurde er toch eigenlijk?"

"Juist dit noodweer heeft mij hier eene schuilplaats doen zoeken, Gijsbrecht," zeide de Jonkvrouw. "Ik wist immers, dat je heden komen zoudt? Mijn verlangen naar u deed mij u tegemoet rijden, in de meening, dat ik u weldra zou tegenkomen. Maar je kwam zoo laat, Gijsbrecht, en ...."

"Ja, 't werd later dan ik gehoopt had, Bertha. Er was nog zooveel in orde te brengen op het kasteel, ten einde mijne schoone Bertha met eere als Edelvrouw te kunnen ontvangen, dat het mij waarlijk onmogelijk was vroeger te komen."

"Eindelijk werd ik door het onweer overvallen," vervolgde de Jonkvrouw, "en vond ik in deze hut eene schuilplaats tegen den regen. Kort nadat ik hier binnengekomen was, hoorde ik den hoefslag van een paard. Ik meende, dat jij het waart, wiens komst daardoor werd aangekondigd. Ik had mij bedrogen. Een vreemdeling kwam binnen ...."

"Een ridder?"

"Neen, een dienstman."


Fulco de Minstreel - 2/34

Previous Page     Next Page

  1    2    3    4    5    6    7   10   20   30   34 

Schulers Books Home



 Games Menu

Home
Balls
Battleship
Buzzy
Dice Poker
Memory
Mine
Peg
Poker
Tetris
Tic Tac Toe

Google
 
Web schulers.com
 

Schulers Books Online

books - games - software - wallpaper - everything