Schulers Books Online

books - games - software - wallpaper - everything

Bride.Ru

Books Menu

Home
Author Catalog
Title Catalog
Sectioned Catalog

 

- Fulco de Minstreel - 20/34 -


nederlaag, al zijn werk was vergeefsch geweest, en hij verkeerde in de noodzakelijkheid, alles weer opnieuw te beginnen.

Het zou stellig langer dan eene week duren, eer de vijandelijkheden konden worden voortgezet.

"Toch zal IJselstein vallen!" knarsetandde hij, terwijl hij dreigend de vuist ophief tegen het vaandel, dat, als om hem te tergen, vroolijk van den toren wapperde.

"Voor IJselstein en Bertha!" dreunde het, van de muren.

Vianen zette het beleg met kracht voort. Moeite noch kosten ontzag hij, om zijn doel te bereiken, maar.., de dagen werden weken en de weken zwollen tot maanden, en nog altijd rezen de torens van het machtige kasteel trotsch omhoog, nog altijd wapperde het wapen van IJselstein uitdagend van de tinnen. De moedige Edelvrouwe hield wakker stand, in spijt van Vianens woede.--

HOOFDSTUK 7

Een kramer, die heel wat in zijne mars voerde

Alleen Fulco was niet in den burcht teruggekeerd. Zoodra hij door de sluippoort op het vlakke veld gekomen was, had hij zich van zijne makkers verwijderd, met het doel den strijd te ontwijken en zich in veiligheid te brengen. Doch nauwelijks dreunde hem de strijdkreet van Jonker Jan in de ooren, en hoorde hij het gekletter der wapenen, of een onbedwingbare lust om aan het gevecht deel te nemen maakte zich van hem meester en deed hem in galop terugkeeren. Onder het geroep "Voor IJselstein en Bertha!" wierp hij zich met getrokken zwaard op de vijanden en verspreidde schrik en verwarring overal, waar hij zich op zijn steigerend ros vertoonde. Angstwekkend flikkerde zijn blinkend zwaard door de lucht, en wee den ongelukkige, wien het gold! Met een luid gejuich begroette hij de vernielende vlammen, die hier en daar het slagveld begonnen te verlichten, en bij haar schijnsel mat hij met zijne oogen den omtrek, of hij niet de forsche gestalte van Heer Hendrik van Vianen zag. O, zoo gaarne had hij met het zwaard in de vuist tegenover dien geduchten krijgsman gestaan en met hem gestreden op leven en dood. Doch het geluk was hem niet gunstig. Bevond Fulco zich aan deze zijde van den burcht, dan klonk Vianens strijdkreet aan gene, en spoedde hij zich naar gene zijde, dan hoorde hij aan deze diens aanmoedigende stem. En lang gunde hij zich geen tijd tot zoeken; hij kon dien beter besteden. Met mannenmoed wierp hij zich overal tusschen de strijdenden, waar het gevecht het heetst was, en telkens week de vijand, als zijne gevreesde strijdleus gehoord, de scherpte van zijn zwaard gevoeld werd. Eerst toen aan alle kanten de vlammen zich hoog verhieven en de vijand in eene overhaaste vlucht een goed heenkomen zocht, wendde hij den teugel en verliet in galop het slagveld. Een oogenblik daarna hoorde hij het sein tot verzamelen geven.

"Die uitval heeft doel getroffen," dacht hij, terwijl hij zijn zwaard in de scheede stak. "Goddank, de dappere Edelvrouw behoeft den eersten tijd niet ongerust te wezen, dat Vianen den burcht overmeesteren zal, want hij is voorloopig tot werkeloosheid gedwongen. Ik zou mij al erg bedriegen, als al de belegeringswerktuigen niet verbrand waren, en dan heeft hij minstens veertien dagen noodig, om weer zoover gereed te komen als hij nu reeds was. En tijd gewonnen is veel gewonnen, misschien zelfs wel alles. Toch zie ik de toekomst donker in, als Heer Gijsbrecht niet verlost wordt. Neen, hij mt gered worden, al zat hij ook met honderd ketens aan den muur geklonken en al moest ik hem ook halen uit het slot van den machtigen Van Borselen! Maar hoe zal ik het aanleggen, om de meeste kans van slagen te hebben? Daar moet ik eens goed over nadenken. Het beste zal misschien zijn, dat ik eerst naar Heukelom ga. Heer Otto zal ook wel in groote ongerustheid verkeeren, en misschien kan hij mij goeden raad geven. Twee weten in elk geval mr dan n. Ja, dat moest ik doen. Kom Blesje, op een draf! We hebben nog een mooi ritje voor ons!"

Het was nog nacht, toen Fulco te Heukelom aankwam. De brug was opgehaald en de aanwezigheid van de wachters op den toren bewees, dat het oorlogstijd was. Fulco besloot den nacht op eene naburige hoeve door te brengen, teneinde de burchtbewoners niet te storen in hunne rust. Hij reed langzaam verder en kwam weldra, waar hij wezen wilde. Op zijn geroep verscheen de pachter voor een geopend luikje ter zijde van de deur en riep:

"Wie daar?"

"Ik ben het, Fulco, de dienaar van Heer Gijsbrecht van IJselstein. Mag ik den nacht verder bij u doorbrengen, Wijbrand?"

"Wat, ben jij dat, Fulco? Hoe later op den dag, hoe schooner volk, zou ik haast zeggen," zei Wijbrand, die er blijkbaar geen erg had, dat het al na middernacht was. "Wacht, ik kom dadelijk. Ik zal mij even kleeden."

Een oogenblik later werd de deur geopend en trad Wijbrand naar buiten.

"Wel, wel, wie zou dat nu gedacht hebben," zeide hij, terwijl hij Fulco hartelijk de hand drukte. "Ik wist niet beter, of je zat op IJselstein!"

"Daar was ik eenige uren geleden ook nog, Wijbrand," zeide Fulco. "Maar nu ben ik hier, zooals je ziet, en ik verlang erg naar bed, want ik heb drukke dagen achter den rug. Waar zal ik mijn paard laten?"

"Geef mij de teugels maar, dan zal ik het op stal zetten, en ga vast naar binnen. Wel, wel, daar begrijp ik niets van. Je kunt toch niet vliegen, Fulco? IJselstein wordt toch belegerd? Of waren de Hollanders zoo vriendelijk, om je door te laten?"

Fulco begon hartelijk te lachen.

"Neen, Wijbrand, zoo vriendelijk waren ze niet, en de kunst van vliegen ben ik niet machtig. Maar we hebben een uitval gedaan en daar heb ik gebruik van gemaakt, om weg te komen. Ik heb eene boodschap aan Heer Otto, weet je?"

"O, zoo, zoo! Nu begrijp ik het, maar het is toch een stout stuk van je, Fulco. Dat zou iedereen je niet nadoen!"

"Dat moet ook niet, want dan bleef er niemand over, om den burcht te verdedigen," zeide Fulco lachend, terwijl hij naar binnen ging.

Een oogenblik later kwam ook Wijbrand terug, die niet ophield, allerlei vragen tot Fulco te richten, doch deze maakte er een kort einde aan, door hem te vragen, waar hij slapen moest. Wijbrand wees hem zijne rustplaats aan en na korten tijd lag Fulco in een diepen slaap.

Toch was het nog vroeg op den dag, toen hij zich naar het kasteel begaf. Niet zoodra was hij op de ruime binnenplaats aangekomen, of van alle zijden kwam men naar hem toe, om nieuws van het belegerde slot te hooren. Blijkbaar verkeerde iedereen in angst over het lot van de jonge Edelvrouwe, die zoo kort na haar huwelijk reeds in zulke benarde omstandigheden verkeerde. Hij vertelde in korte woorden, hoe de zaken te IJselstein stonden en ging het kasteel binnen, waar hij dadelijk in de burchtzaal werd toegelaten.

Zoodra hij binnenkwam trad Heer Otto hem al te gemoet en vroeg:

"Wat nu, Fulco! Wat is er gebeurd?"

"Niets om u ongerust over te maken, Edele Heer. Wel heeft Vianen al zijne krachten ingespannen, om den burcht zoo spoedig mogelijk te bemachtigen, maar op dit oogenblik heeft hij meer verloren, dan gewonnen. Vooreerst loopt IJselstein geen gevaar."

"Hoe bedoel je dat, Fulco?" vroeg Heer Otto.

"De bezetting heeft gisterenavond een uitval gedaan en al de belegeringswerktuigen verbrand. Vianen is voor geruimen tijd tot werkeloosheid gedwongen."

"Mooi! Mooi!" riep de Heer van Heukelom verheugd uit, terwijl hij zich de handen wreef. "Dat zal hem niet meegevallen zijn! En hoe houdt zich mijne dochter, de Burchtvrouwe?"

"Als eene heldin, Edele Heer. Haar moed en hare vastberadenheid bezielt de geheele bezetting. Uwe Edelheid weet zeker, dat het kind van Vianen zich in hare macht bevindt?"

"Dat weet ik! Dat weet ik! 't Is een meesterlijke zet geweest, en het zou mij niet verwonderen, als jij daar de hand in hadt gehad. Nu, heb ik het mis?"

"Neen, Heer. De Edelvrouw had die eervolle taak aan mij opgedragen en het geluk is mij dienstig geweest."

"Je verdient den ridderslag, Fulco!" riep Heer Otto opgetogen uit. "Wacht even. Ik zal eerst mijne gemalinne met het nieuws op de hoogte brengen. Ik kom dadelijk terug."

Nauwelijks had hij de zaal verlaten, of hij kwam weer binnen, gevolgd door de Burchtvrouwe, die haastig op Fulco toetrad en hem met vragen als het ware overstelpte. Toen hare eerste nieuwsgierigheid een weinig bevredigd was, zeide Heer Otto:

"En wat is nu eigenlijk het doel van uw tocht, Fulco? Ik kan mij niet voorstellen, dat gij den burcht verlaten hebt, alleen om ons dit alles te komen mededeelen. Ongetwijfeld voert gij wat anders in uw schild?"

"Dat is ook zoo, Edele Heer. Ik ben hierheen gekomen, om uw raad in te winnen over een zeer gewichtig plan, dat ik u onder de grootste geheimhouding mededeel, Mijn voornemen is, Heer Gijsbrecht uit den kerker te verlossen."

"Dat is een dwaas plan, Fulco, omdat het eenvoudig onmogelijk is. Nu had ik je wijzer gedacht. Het zou vrij wat verstandiger van je geweest zijn, als je op den burcht gebleven waart."

"Acht u het zoo dwaas, Edele Heer?" vroeg Fulco, wel een weinig ontmoedigd door de woorden van Heer Otto.

"'t Is een onmogelijk plan, Fulco, hetwelk ik u raad, zoo spoedig mogelijk uit uwe gedachten te zetten. Hoe kunt ge zoo dwaas zijn, om zoo ondoordacht den burcht te verlaten."

"Ik ging met verlof van de Burchtvrouwe, Edele Heer, en zoo heel dwaas acht ik het niet. Wel weet ik dat het moeilijk te volvoeren zal zijn en dat het met groote gevaren gepaard zal gaan, maar ik acht het evengoed uitvoerbaar als het opzet, om Vianen zijn kind te ontrooven, en dat is toch ook wel gelukt."

"Dat is waar, Fulco, je hebt gelijk, maar dit,--neen, ik geloof niet, dat het uitvoerbaar is. Het zal je ongetwijfeld het leven kosten."


Fulco de Minstreel - 20/34

Previous Page     Next Page

  1   10   15   16   17   18   19   20   21   22   23   24   25   30   34 

Schulers Books Home



 Games Menu

Home
Balls
Battleship
Buzzy
Dice Poker
Memory
Mine
Peg
Poker
Tetris
Tic Tac Toe

Google
 
Web schulers.com
 

Schulers Books Online

books - games - software - wallpaper - everything