Schulers Books Online

books - games - software - wallpaper - everything

Bride.Ru

Books Menu

Home
Author Catalog
Title Catalog
Sectioned Catalog

 

- Fulco de Minstreel - 6/34 -


aan mijne zijde, zooals ge weet. Drechterland behoort rechtens aan het Sticht, en de Hollandsche Graven hebben het alleen in hun bezit door het recht van den sterkste."

"Uw Hoogeerwaarde heeft gelijk, maar gij vergeet, dat het bij het sluiten van den vrede voor goed aan Holland werd afgestaan."

"Ik onderwerp mij aan geene vredesbepalingen, die den belangen van het Sticht schade berokkenen," zeide de Bisschop trotsch. "Daarom heb ik na Floris' dood den opstand der West-Friezen krachtig gesteund en mij van bijna geheel Noord-Holland meester gemaakt. Jammer, driewerf jammer, dat ik voor den Henegouwschen Graaf, Jan van Avennes, heb moeten wijken. Bijna was ik meester geweest in Holland: de West-Friezen waren in opstand, de Vlamingen waren in Zeeland gevallen en mijn leger trok zegevierend tot Medemblik door."

"Totdat Jan van Henegouwen u dwong het beleg op te breken," zeide Gijsbrecht. "Ik weet het."

"Indien gij mij bijgestaan hadden, wie weet hoe dan de uitslag zou geweest zijn," zei de Bisschop op verwijtenden toon. "Misschien ware Holland dan met het Sticht vereenigd."

"Ik mag de wapenen niet voeren tegen mijn leenheer, Hoogeerwaarde. IJselstein is een Hollandsch leen."

"Maar zijt ge dan ook niet Maarschalk van Utrecht, en mij als zoodanig hulp verschuldigd?"

"Ik ben uw Maarschalk, Hoogeerwaarde, en stel daar grooten prijs op. Ik zou ook nimmer de wapenen tegen het Sticht voeren, evenmin als tegen den Graaf van Holland."

"Het zij zoo, hoe het mij ook spijt. Doch 't is nu voorbij. Mijn leger is verslagen, en ik heb vredesvoorwaarden aangeboden, die voorloopig aangenomen zijn. Graaf Jan I is uit Engeland teruggekomen en Jan van Avennes, die Holland voor zijn neef, den Graaf, uit de handen van de vijanden gered heeft, met schande het land uitgejaagd. Een schoone dank!" spotte de Bisschop.

"Voorzeker, 't is schande, dat stem ik toe, doch dat is niet het werk van Graaf Jan, maar van den heerschzuchtigen Zeeuw Wolfert van Borselen, die onzen Graaf geheel in zijne macht schijnt te hebben."

"Schijnt te hebben?" herhaalde de Bisschop vragend. "'t Is volstrekt geen schijn, wat ik u verzeker. De Heer van Borselen heeft den zestienjarigen graaf zoo geheel in zijne macht, dat deze zelfs een stuk heeft onderteekend, waarin hij verklaart, dat hij in alle regeeringsaangelegenheden den raad en het goedvinden van den Heer van Borselen zal opvolgen."

"Maar dat is meer dan ergerlijk," riep Heer Gijsbrecht uit, terwijl hij plotseling bleef staan en den Bisschop aanzag. "Dan zal het dus nog zoover komen, dat wij, Hollandsche edelen, het hoofd moeten buigen voor dien Zeeuwschen moordenaar, die op den koop toe den onmondigen zoon van zijn slachtoffer, wellicht als een gevangene, op zijn kasteel bewaart, alleen om zelf den scepter te kunnen zwaaien? Dat nooit! Hem, dien verwaten moordenaar, ben ik geene gehoorzaamheid verschuldigd. Liever grijp ik naar de wapenen en ontruk den jongen Graaf aan zijne macht."

"Hetgeen u ongetwijfeld zou mislukken, IJselstein," viel de Bisschop in. "Van Borselen heeft een groot deel van den adel op zijne hand, en die is sterk, al geef ik gaarne toe, dat de macht der vrije poorters niet spoedig te hoog geschat wordt. Doch heb maar geduld--heel lang zal Van Borselen niet regeeren. Hij jaagt door zijne eigenmachtige handelingen de steden al meer en meer tegen zich in het harnas; hij schendt hare rechten en vrijheden met de grootste willekeur. En wat voor zijne heerschappij nog erger is" hij ontneemt den Hollandschen edelen hunne hooge betrekkingen en schenkt die aan zijne Zeeuwsche gunstelingen. Heeft hij niet den geachten Heer Dirk van Brederode uit's Graven dienst ontslagen en Jan van Renesse in zijne plaats tot Baljuw van Zuid-Holland aangesteld? En toen hij zag, dat deze edelman bij den Graaf in hooge gunst begon te geraken, heeft hij hem toen niet in een valstrik gelokt en hem met schande het land doen verlaten? Nu is Heer Aloud, Van Borselen's getrouwe handlanger, tot Baljuw benoemd."

"Zulk eene dwingelandij gaat alle perken te buiten!" riep Gijsbrecht vertoornd uit. "Maar dat kan niet lang duren! Wanneer de beleedigde edelen zich met de verdrukte steden verbinden ...."

"Is zijn rijk ten einde," vulde de Bisschop aan. "Doch nu moet er nog rekening met hem gehouden worden en ik in de eerste plaats ben daartoe verplicht, want de vredesvoorwaarden, die mij gesteld worden, zijn zeer hard. Ik moet zelfs afstand doen van de leenheerschappij over de kasteelen van Amstel en Woerden."

"Een zware eisch, Hoogeerwaarde."

"Dien gij moet trachten, minder zwaar te maken, IJselstein."

"Ik?" vroeg Gijsbrecht verwonderd.

"Ja, gij, want u draag ik op, persoonlijk naar het hof te Veere te gaan, om daar de vredesonderhandelingen ten einde te brengen."

De jonge ridder, getroffen door de eervolle onderscheiding, die hem te beurt viel, maakte eene hoffelijke buiging en zeide:

"Ik dank Uw Hoogeerwaarde wel voor die groote eer, maar ...."

"O!" riep de Bisschop lachend, "ik weet, wat gij zeggen wilt; gij denkt aan uwe schoone en lieve bruid, en hoe eenzaam zij zich zal gevoelen op het kasteel te IJselstein. Maar stel u gerust. Gij kunt eerst uwe gemalin naar hare nieuwe woonplaats vergezellen en daar op uw gemak uwe zaken in orde brengen. Indien gij over twee of drie weken vertrekt, is het nog vroeg genoeg.

"Dan neem ik uwe opdracht gaarne en met blijdschap aan, Hoogeerwaarde Vader, en het zal aan mij niet liggen, indien de onderhandelingen geen goed einde hebben. Doch laten wij naar de zaal terugkeeren, waar wij zeker al met ongeduld gewacht worden."

Weinig uren daarna klonken de heldere klokketonen van de burchtkapel over veld en weide, en verkondigden ver in 't rond, dat de huwelijksplechtigheid een aanvang zou nemen. Edele ridders, in hunne schoonste en sierlijkste kleederen gehuld, kwamen met hunne vrouwen en dochters, schitterende van diamanten en edelgesteenten, de kapel binnen en namen plaats. En nauwelijks waren zij gezeten, of daar verscheen Gijsbrecht van IJselstein met zijne schoone bruid aan den arm. Het bruidspaar begaf zich naar de zetels die voor het altaar waren geplaatst. Aller oogen waren op hen gericht, en dat was waarlijk geen wonder, want zelden nog was er een schooner paar voor het echtaltaar geknield.

Welk eene vorstelijke gestalte gaf die bruidegom, welk eene fierheid, gepaard met innemende lieftalligheid, die bruid te bewonderen.

Zoodra zij hadden plaats genomen, begon het koorgezang. De Bisschop trad door eene zijdeur binnen en knielde voor het altaar neder, waar hij bad, totdat het koorgezang zweeg. Toen stond hij op, om den gewonen kerkdienst te doen, waarna hij het jonge paar in den echt vereenigde. Schoon was de toespraak, waarin hij hun de dure verplichtingen voorhield, die zij in dit oogenblik jegens elkander op zich namen, hartelijk en van vriendschap getuigende waren de woorden, waarmede hij hun al het geluk toewenschte, dat op de aarde gesmaakt kan worden.

Innig geroerd knielden Gijsbrecht en Bertha voor hem neder en ontvingen zijn zegen. Daarmede was de plechtigheid afgeloopen. Onder koorgezang en orgelmuziek verlieten allen het kerkgebouw, om zich naar de burchtzaal te begeven. En dat het daar niet aan gelukwenschen en hartelijke handdrukken ontbrak, is licht te begrijpen. Als bruidsgeschenk ontving Bertha van hare ouders het rijke slot, waarin het feest gevierd werd.

Intusschen was het daarbuiten, om het afgezette tournooiveld, nog veel drukker en woeliger geworden dan in den burcht. Honderden menschen, misschien wel duizenden, waren van de omliggende plaatsen samengestroomd, om het steekspel bij te wonen, dat ter eere van dit huwelijk zou worden gehouden. En de menschen troffen het bijzonder, want het was prachtig weer.

Geen wolkje was er aan den hemel te zien, en de zon scheen wel te spelen met de schitterende kleuren der vaandels, die het tournooiveld versierden. Pratende, lachende en joelende bewoog zich de menigte rondom het veld of verdrong zich om de stellages, door rondreizende kunstenmakers of kooplieden opgericht. Hier trachtte een potsenmaker door een vloed van snaaksche gezegden en het trekken van allerlei leelijke gezichten, die, naar het algemeen gelach te oordeelen, blijkbaar in den smaak van zijne hoorders vielen, de snuisterijen van zijn meester aan den man te brengen, terwijl deze er voor zorgde, ze zoo uitlokkend mogelijk op eene tafel te rangschikken. Daar vertelde een andere grappenmaker,--en hij zette zijne woorden kracht bij, door af en toe zoo geweldig op een trompet te blazen, alsof de toenmalige gehoorvliezen van olifantsvel waren,--dat zijn meester een beroemde Oosterling was, die tot heil van de lijdende menschheid uit zuivere liefde voor zijne medeschepselen, uit het Heilige Land was overgekomen met onfeilbare geneesmiddedelen voor alle mogelijke kwalen. Voor eene kleinigheid kon men bij hem terecht, want het was hem volstrekt niet te doen om rijk te worden. O neen, hij kwam alleen met het doel, om zieke menschen weer gezond te maken. Hij trok zonder pijn kiezen, alsof het grassprietjes waren, maakte recht wat krom, en hoorende, wat doof was. Kortom, hij was een ware wonderdokter.

Elders weer werd de schare gelokt door het heldere geluid van eene vedel. Daar laat een rondreizende minstreel zijne zangen hooren, en hij heeft eer van zijn werk. Zie slechts, hoe iedereen met aandacht luistert, hoe al die oogen schitteren, waar de zanger met krachtige tonen de roemrijke daden van zijn held bezingt, hoe een angstige trek op ieders gelaat verschijnt, waar hun wordt verteld hoe hij gewond en stervende van zijn ros geslingerd wordt, hoe een traan in menig oog opwelt, als in roerende klanken de smart der liefhebbende en treurende Edelvrouw wordt verhaald.

Onder de hoorders, die aan de lippen van den zanger hingen, bevond zich ook Fulco, wiens hulp op den burcht wel eenigen tijd gemist kon worden. En een vurig bewonderaar van zang en muziek als hij was, hadden de tonen der vedel hem al spoedig naar de plaats gelokt, waar de minstreel zijne liederen zong.

"Mooi, dat was mooi!" mompelde Fulco, toen het lied uit was, zich haastig, als schaamde hij zich er voor, een traan uit het oog vegende. En na den minstreel met een geldstukje voor zijne kunst beloond te hebben, sloeg hij den weg in naar den potsenmaker, die nog altoos bezig was, de groote bekwaamheden van den Oosterschen wonderdokter te verkondigen. Weldra schudde hij van het lachen bij de snakerijen, die hij hoorde, en die hem al spoedig den indruk deden verliezen, door den zanger bij hem gewekt.

"Komt, menschen," klinkt het van de stellage, "blijft daar toch niet


Fulco de Minstreel - 6/34

Previous Page     Next Page

  1    2    3    4    5    6    7    8    9   10   11   20   30   34 

Schulers Books Home



 Games Menu

Home
Balls
Battleship
Buzzy
Dice Poker
Memory
Mine
Peg
Poker
Tetris
Tic Tac Toe

Google
 
Web schulers.com
 

Schulers Books Online

books - games - software - wallpaper - everything