Schulers Books Online

books - games - software - wallpaper - everything

Bride.Ru

Books Menu

Home
Author Catalog
Title Catalog
Sectioned Catalog

 

- Fulco de Minstreel - 8/34 -


houdt hij halt. Op de vraag van deze, wie hij is en wat hij verlangt, klinkt zijn antwoord:

"Ik Witte, Heer van Haemstede, daag elken ridder, wie hij ook zij, ten strijde met speer en zwaard ter eere van de schoone Jonkvrouw Bertha van Arkel."

En nauwelijks heeft hij uitgesproken, of luide klinkt het gekletter der bazuinen en klaroenen. Zijne uitdaging wordt aangenomen, want een andere ridder rijdt het perk binnen en plaatst zich tegenover den Heer van Haemstede. Uit zijn wapen, een geharnasseerden keelen liebaard op goud, blijkt, dat hij tot het edele geslacht der Brederodes behoort.

De strijd begint. Met eene woeste vaart rijden de beide edelen op elkander in en met een geweldigen schok heeft de botsing plaats. De speren vliegen aan splinters, de ruiters waggelen op hunne tossen. Snel neemt ieder van zijn schildknaap eene nieuwe speer, en weer rijden zij op elkander in, doch juist op het oogenblik, dat zij elkander genaderd zijn, struikelt het paard van Witte van Haemstede, valt en werpt zijn ruiter over zich heen, onder de hoeven van het andere dier. IJlings schieten de bedienden toe en brengen den gevallene buiten het perk. Niemand heeft de overwinning behaald, doch nu laat Brederode zijne uitdaging hooren, en nauwelijks is dat geschied, of daar rijdt de Heer van Vianen het perk binnen.

"Arme Brederode," klinkt het zacht uit den mond der omstanders. "Nu zal hij het kwaad te verantwoorden hebben."

En dat was ook zoo, want reeds bij den eersten schok kon hij zich ternauwernood in den zadel houden. Toch bleef hij zitten, wat een luid gejuich van de menigte uitlokte. Maar nu kwam Vianen met zulk eene ontstuimige vaart op hem aanrennen, dat Brederode met een hevigen dreun van het paard stortte. Ook hij werd door zijn schildknaap buiten het strijdperk gebracht.

In galop reed Vianen het perk rond, en trotsch lachte hij, nu van alle kanten een donderend gejuich opsteeg ter eere van den overwinnaar. Eindelijk hield hij voor den wapenkoning stil, en met eene luide stem, die door iedereen gehoord werd, riep hij:

"Ik, Hendrik, Heer van Vianen, bijgenaamd de Onoverwinnelijke, daag elken ridder, wie hij ook zijn moge, ten strijde, ter eere van Jonkvrouw Bertha van Arkel, de schoone Bruid!" En zijn paard de sporen gevende, reed hij, onder het schallen der muziek, in vliegenden galop de kampplaats rond. Doch hij bleef alleen.

Geen enkele ridder, hoe beleedigd ook door zijne tergende uitdaging, durfde den strijd met hem wagen. Met een minachtenden glimlach op het gelaat naderde Vianen den wapenkoning ten tweeden male en herhaalde zijne uitdaging in zoo mogelijk nog tergender bewoordingen.

En opnieuw werd zijne uitdaging beantwoord door bazuin- en trompetgeschal. Doch geen enkele ridder reed het perk binnen. Tartend keek Vianen in het voorbijrijden den kring van edellieden aan, en 't was waarlijk bij zulk een beleedigend gedrag geen wonder, dat zijne trotsche gestalte meer met haat dan met bewondering werd nagezien. Ten derden male naderde hij den wapenkoning, en luid klonk zijne uitdaging in het rond:

"Ik, Hendrik, Heer van Vianen, bijgenaamd de Onoverwinnelijke, daag ter eere van Jonkvrouw Bertha van Arkel, elken ridder tot een eerlijken strijd met speer en zwaard, en mocht deze uitdaging, die nu voor de laatste maal geschiedt, onbeantwoord blijven, dan maak ik als overwinnaar aanspraak op den uitgeloofden prijs: het met goud versierde schild!"

Maar nauwelijks had hij uitgesproken, of met gesloten vizier rende een ridder het strijdperk binnen, gezeten op een fieren schimmel, die, dartel als hij was, zich niet dan met groote moeite door zijn meester liet bedwingen. Aan 's ridders speer prijkte een gele handschoen, ongetwijfeld het eigendom van eene of andere Jonkvrouw, te wier eere de Ridder streed.

Met onbeschrijfelijke geestdrift werd deze verschijning door het volk begroet, want ieder had zich geŽrgerd aan de trotsche woorden van den stuggen edelman. En, al wist men niet, wie die fiere ridder was, toch gunde ieder hem gaarne de overwinning. Hij reed, gevolgd door zijn schildknaap, die ook het vizier gesloten hield, naar den wapenkoning en sprak:

"Ik, genaamd de Onbekende Ridder met de gele Handschoen, verklaar ter eere van Jonkvrouw van Arkel de uitdaging van Heer Hendrik van Vianen aan te nemen."

Daarop plaatsten de beide ridders zich op een grooten afstand van elkander en maakten zich strijdvaardig.

Er heerschte eene doodsche stilte onder de menigte. Ieder was vol spanning, hoe deze kamp zou eindigen, en die spanning werd bovendien nog geprikkeld door het geheimzinnige van dien vreemdeling.

Daar gaf de jonge bruid het teeken en de kamprechter riep met luide stem:

"Laisser aller!" (Laat begaan.)

De ruiters drukten de sporen in de zijden hunner paarden en reden met eene ongekende vaart op elkander in. 't Was, alsof zij elkander verpletteren wilden. Al bij den eersten schok bleek het Vianen, dat hij, zooal niet zijn meester, dan toch stellig zijne evenknie gevonden had, want de Onbekende bleef rechtop in den zadel zitten, terwijl hij zelf slechts met moeite zijn evenwicht bewaren kon en zijne glavie tot aan zijne hand toe scheurde. Een daverend gejuich, waaraan bijna geen einde scheen te zullen komen, steeg uit het volk op. De ridders zwaaiden met hunne speren, de jonk- en edelvrouwen waren van hare zitplaatsen opgestaan en juichten den Onbekende toe. Honderden kleinigheden, meest sieraden, werden hem toegeworpen. Met een hoffelijke buiging reed hij terug, om zich tot een nieuwen aanval gereed te maken. Ook Vianen deed dat,--doch geprikkeld door de toejužchingen, die zijn tegenstander ten deel vielen, met woede in het hart. Daar vlogen zij opnieuw op elkaar in, zoo mogelijk nog woester dan te voren, en weer met denzelfden uitslag. De Onbekende hield stand als eene rots, Vianen bleef, terwijl de speer aan zijne hand ontviel, slechts met groote moeite in den zadel. De geestdrift van de toeschouwers klom tot uitbundige op gewondenheid. Aan het gejubel kwam schier geen einde. Verbitterd trok Vianen zijn zwaard. De Onbekende deed evenzoo, en nu zag men eene kracht en behendigheid ontwikkelen, zooals misschien nog nooit op eenig tournooiveld te bewonderen was geweest. Onophoudelijk kletterden de slagen op helm of schild. Onstuimig drongen de vurige rossen met snuivende neusgaten op elkander in. Stofwolken maakten hen bijna onzichtbaar. Daar ging plotseling een kreet op uit de menigte, die weldra in een eindeloos gejuich en gejubel overging.

De Onbekende sloeg den Heer van Vianen het schild in tweeŽn en het zwaard uit de hand. Door den schok wankelde de Onoverwinnelijke in den zadel, en met een zwaren slag viel hij op den grond.

De Onoverwinnelijke was voor het eerst overwonnen.

"Eere den Overwinnaar! Eere den Onbekende!" juichte het volk. Men zwaaide met stokken en doeken, de muziek schetterde, de lucht daverde van het gejubel.

"Eere den Onbekende! Eere Heer Gijsbrecht van IJselstein!" schreeuwde Fulco, die met ademlooze spanning het gevecht gevolgd had.

"Eere Gijsbrecht van IJselstein, den dapperste onder de ridders!"

Daar sloeg de Ridder zijn vizier op, en waarlijk, niemand anders dan Gijsbrecht van IJselstein had den Heer van Vianen overwonnen.

Nieuw gejubel, nieuw gejuich! De ridders voegden zich achter hem en reden met hem het strijdperk rond. Daarna hielden zij stil voor Jonkvrouw Bertha van Arkel.

Gijsbrecht knielde voor haar neder en ontving uit de handen zijner bruid den prijs, die voor den overwinnaar was uitgeloofd. Hoe blonken hare oogen daarbij van edelen trots op haar bruidegom, hoe fier klopte haar het hart bij de daverende toejuichingen, die hem ten deel vielen, hoe innig bewonderde zij thans haar jongen echtgenoot!

Onder het schetteren van bazuinen en klaroenen keerden de edelen naar den burcht terug, waar zij zich van hunne zware rustingen ontdeden en die verwisselden voor sierlijke lijfrokken en kostbare mantels. Nauwelijks waren zij daarmede gereed, of reeds werd het teeken gegeven, om aan den feestdisch te verschijnen.

't Was een vroolijk gezelschap, dat zich verzamelde om de tafels, die met den heerlijksten voorraad beladen waren. Geen enkele ridder ontbrak, en al kwam ook Heer Witte van Haemstede met zijn linkerarm in een doek, omdat die een weinig gekneusd was door den val, en al had Heer Hendrik van Vianen eene lichte wond aan het voorhoofd, gelukkig had geen der dappere ridders zich zoo ernstig gewond, dat hij verhinderd was, aan den maaltijd deel te nemen. De tafels waren rijk versierd met gouden bekers en schalen, kunstig nagebootste kasteelen en een overvloed van het heerlijkste gebraad, blanke rivier- en zeevisch en de fijnste wijnen, die Frankrijk en Duitschland maar opleverden. Eene aangename, vroolijke muziek liet zich hooren.

En de gasten bewezen eer aan de heerlijke gerechten, die hun werden voorgediend. Als om strijd roemden zij de gastvrijheid van den Heer en de Vrouwe van Heukelom. 't Ging er vroolijk langs en de ridders toonden, dat zij nog wel wat anders konden, dan vechten. 't Was een kruisvuur van aardige gezegden en vroolijke jokkernijen. De bekers werden lustig geheven en vlug geledigd, en nu en dan werd door den vroolijken Brederode een liedje aangeheven, dat door bijna alle aanwezigen meegezongen werd.

Iedereen genoot van het heerlijke feest, iedereen was vroolijk,-- slechts ťťn uitgezonderd. Heer Hendrik van Vianen deelde niet in de algemeene vreugde. Met gefronste wenkbrauwen en een stroeven trek op het gelaat zat hij te midden der vroolijken. Barstte iedereen in een schaterend lachen uit, als Brederode zijne snakerijen verkocht, zijn gelaat alleen bleef stroef en norsch: 't scheen wel, of hij niet eens gehoord had, wat er gezegd werd. Zong men een vroolijk lied, hij alleen zweeg. Zijne oogen stonden somber en dof, en er kwam alleen gloed in, als hij heer Gijsbrecht aankeek, wat hij soms wel minuten aaneen kon doen. Ja, dan kwam er gloed in, maar het was de gloed van den haat. Want hij haatte den jongen, fieren edelman, tegen wien hij, de trotsche Vianen, die zich zoo graag "de OnoverwŪnnelijke" noemde, het in het strijdperk had moeten afleggen. Hij, de Onoverwinnelijke, was overwonnen.

Nooit zou hij dien naam meer durven noemen, want hij begreep maar al te goed, hoe dan zijne vijanden zouden meesmuilen. En vrienden had hij niet. Als hij dat nog nooit geweten had, zou hij het wel hebben kunnen opmaken uit het gejubel, dat uit de menigte opsteeg ter eere van IJselstein, toen deze hem uit den zadel deed storten.


Fulco de Minstreel - 8/34

Previous Page     Next Page

  1    3    4    5    6    7    8    9   10   11   12   13   20   30   34 

Schulers Books Home



 Games Menu

Home
Balls
Battleship
Buzzy
Dice Poker
Memory
Mine
Peg
Poker
Tetris
Tic Tac Toe

Google
 
Web schulers.com
 

Schulers Books Online

books - games - software - wallpaper - everything